APOTH regest 562 (inv. 1176):
1574 oktober 9 op sinte Victoris Avondt
Schout, burgemeesters, schepenen en raad van Utrecht oorkonden dat zij, met goedkeuring van Filips II als heer van Utrecht, hebben verkocht aan juffrouw Clemens vander Maeth een jaarlijkse lijfrente van zeven gouden Karolusguldens ten behoeve van juffrouw Lobborch Gysbert vander Mathen dochter, oud omtrent 16 jaar. oorspr. Met het secreetzegel van de stad Utrecht en handtekening van de secretaris in duplica.
APOTH regest 625 (inv. 1191-1192), 1614 december 28 stilo veteri:
Gerardt van Schadijck Cornelisz met de huwelijkslieden Wilhelm van Hardevelt, burgemeester, en Simon Claesz van Velzen, aan de ene zijde, en Lobberichgen van der Maeth met de huwelijkslieden Jorden van der Maeth en Jacob vander Burch Gerritsz, aan de andere zijde, sluiten een huwelijksovereenkomst
waarbij beide partijen al de goederen inbrengen die vermeld staan op hun respectievelijk inventarissen door henzelf ondertekend, met de voorwaarden dat indien een van hen overlijdt zonder nakomelingen, de goederen dan weer zullen toevallen aan de familie waaruit ze gekomen zijn; indien de eerste overledene een kind van hen beide nalaat zal deze erven van de overledene; als meer kinderen overblijven uit dit huwelijk zonder zelf nakomelingen te hebben zullen nalaten aan de volgende die nog in leven zijn, tot de laatste toe; als die zonder nakomelingen overlijdt zullen de goederen weer teruggaan naar waar ze vandaan gekomen zijn; indien Gerardt binnen een jaar en zes weken overlijdt voor Lobberichgen, zal Lobberichgen uit de gereedste goederen een eenmalige som van 800 Karolusguldens tot morgengave; indien de bruidegom daarna voor haar overlijdt zal de 800 gulden tot lijftocht dienen; vermeerdering en vermindering van goederen tijdens het huwelijk zal gelijk verdeeld worden. In tweevoud. Van het eerste exemplaar, is het derde zegel verloren, de rest geschonden. Van het tweede is het tweede zegel compleet, het eerste en vierde geschonden, fragment van het derde.
APOTH regest 633 (inv. 954), 1625 augustus 23:
Uittreksel uit het testament van Lobberichgen vander Maeth, waarbij zij aan de bewoners van het Wandelhuis een jaarlijkse uitkering van zes schepel rogge vermaakt of de geldwaarde daarvan, gevestigd op haar aandeel in het huis van haar vader dat nu door haar broer wordt bewoond. Notarieel afschrift van Cornelis van Ingen 1626. Met opgedrukt zegel.
APOTH regest 639 (inv. 843), 1627 juli 6 stilo veteri:
Reijnert Volcxs Saes, schout, Pieter Hendricx Pelser en Peter Harmensz, schepenen van Bunschoten, oorkonden dat Aelbrecht van der Hel voor zichzelf en namens Anna vander Hell, Peternella vander Hell, Susanna vander Hell voor haarzelf en haar zuster Ester vander Hell, allen kinderen en erfgenamen van Joff. Diewerk vander Hell, heeft overgedragen aan de Armen de Poth twee dagmaten min een half vierendeel in het buitendijks in de Grote Maeth in het Oosterblok, gemeenschappelijk met verscheidene eigenaars in negen dagmaten, zoals het eertijds nagelaten is door Lobberich van der Maeth, thans gepacht door Harmen Willems. Oorspr. Met zegels van de oorkonders, de eerste twee geschonden.
N.B. In dorso: ?Transportbryeff van 1 7/8 dammaet gelegen onder Bunschoten ende byden Armen de Poth gecoft vande erffgenamen van Joff r Dyewera in leven wed[uwe] van Jr Gerart vander Hell?, ?int Oosterblock?.
permalink:
https://www.wilschut.nl/gdp/index.php/pers/get/1-21826
Gekopieerd!