Middeleeuws Vlechtwerk

IJsbrand van der Made

  • ridder 1260
  • Overleden: ± 1285 (volgens NL 2022-4 voor 1261)

Tr 1. Hadewig van Marlant Bartholomeusdr, ? ca 1250 (uit dit huwelijk Bartholomeus van der Made, ridder 1261-1287, kinderen: ridder Willem, Dirk, woonde de hofstede Van de Made bij Delft [Antheun Janse p. 431], stichter van de oude kerk in Delft) [vd Krogt noemt als bron voor deze filiatie Van Wimersma Greidanus]. Voor het officiële geboortejaar van de Oude Kerk wordt 1246 aangehouden, maar de geschiedenis gaat eigenlijk veel verder terug. Honderden jaren voordat graaf Willem II Delft stadsrechten verleende, gingen de bewoners van de nederzetting langs ?de Delf? op dezelfde plaats ter kerke. Algemeen wordt aangenomen dat in het jaar 1050 op dezelfde locatie een houten kerk heeft gestaan. De vraag dient nu gesteld, waar het middelpunt van deze gansche grondheerlijke organisatie, de vroonhof zelf, te zoeken is. (...) Het eenige aanknopingspunt, dat ons mogelijk in staat stelt den vroonhof te localiseeren, biedt het latere klooster Koningsveld. (...) Mogelijk was dus het pas gestichte convent eerder in één der gebouwen van den vroonhof ondergebracht, en heeft het eerst in 1277 een eigen tehuis gekregen. Waar is nu die voorlopige behuizing in den vroonhof te zoeken? In het jaar 1299 verhuurde het klooster een molen, dien het bezat, staande "in Ghoetslant van Conincsvelt toter Made" [De Fremery, Oorkondenboek van Holland en Zeeland, Supplement, nr 328] Allicht zal men een molen ten behoeve van de nonnen dicht in de nabijheid hunner woning gebouwd hebben. Misschien was nu, toen de abdij verhuisde, deze molen op het Godsland (een uitdrukking die op één lijn staat met ons woord Godshuis) blijven staan. Het convent verhuurde hem onder beding van kosteloos malen van het meel, benoodigd voor de kloosterlingen. De Made (d.i. hooiland, waar gemaaid wordt), waaraan dit Godsland grensde, was het land tussen de Oude Delf en de madesloot, vlak ten Zuidwesten van de latere stad. De Madelanden met daarin gelegen, stellig vrij aanzienlijke woning waren omstreeks 1280een grafelijk leen. [Zie: Het oude register van grave Florens, uitg. d. S. Muller Hz., in: Bijdr. en Meded. van het Hist. Genootschap, dl. 22, 1901, blz. 188: "Bartholomaeus de Made (heeft in leen) den tiende van Delf metter gigte van der kerken; .... sine woninghe ende dat lant tusscen die Delf ende den Maesscloet (stellig te lezen: Maesloet, d.i. Madesloot) ..." In 1331 beleende graaf Willem III Dieric van der Made met "al dat goed, dat hare Willem van der made, sijn broeder, van ons ter lene helt in sinen lesten live, uytgenomen die ghifte van der keke te Delf ...", Alg. Rijksarchief, register EL 2 (Leenkamer, inv. nr. 2) fo. 68 vo; daaronder staat: "Nota. Om dat de grave an him ghehouden hevet de manne, die van der hofstat van der made verlient waren, zo zijn die manne van der Made in dit boek in enre cedele steken". Deze leenroerigheid bestond nog in 1615; zie Van Bleyswijck, blz. 103.] bezeten door Bartholomaeus van der Made. Deze was een vooraanstaande figuur in het dertiende-eeuwsche Delft, stichter van de Oude Kerk, die aanvankelijk aan zijn naamheilige, St. Bartholomaeus, gewijd was. Het schijnt zeer wel mogelijk, ofschoon ik de juisheid van deze hypothese niet met stukken bewijzen kan, dat hij het ambt van villicus of hofrechter bekleedde. Menzou dan verder kunnen aannemen, dat de genoemde Madelanden oorspronkelijk de terra indominicate, de rechtstreeks tot den vroonhof behoorende gronden uitgemaakt hebben, die door den villicus aanvankelijk ambtshalve beheerd werden en later, toen dit ambt erfelijk was geworden, als leen in het bezit van zijn geslacht bleven. (...) de vroonhof lag ongeveer ter plaatse van het tegenwoordige station. J. F. Niermeyer (1944). Delft en Delfland. Hun oorsprong en vroegste geschiedenis.Leiden: Templum Salomonis.

Relaties:

Bronnen:

1. echtgenoot in De Nederlandsche Leeuw 2022-4:204, 206

permalink: https://www.wilschut.nl/gdp/index.php/pers/get/1-88753 
Kopieer permalink
Gekopieerd!

PHP uitvoer: GensDataPro 3.0.7